Kinderen

I
Margaretha Hoogeveen, geboren op maandag 14-06-1954 in Assen, verdere gegevens onbekend
Zij trouwt op dinsdag 07-09-1976 in Zandvoort met Uulke Dick Stinne

II
Johannes Hoogeveen, geboren op zondag 11-01-1959 in Vries, overleden op 51-jarige leeftijd op zaterdag 16-10-2010 in Zandvoort
Johannes blijft ongehuwd






Gastenboek - guestbook
De families Bremer en Hoogeveen uit Hoogeveen en Smilde
Generatie VIII


Albertus (Bertus) Hoogeveen, geboren op donderdag 21-01-1932 in Smilde als zoon van Jan Hoogeveen, arbeider en landbouwer, en Margaretha Hesse, verdere gegevens onbekend

Hij trouwt op 20-jarige leeftijd op dinsdag 15-07-1952 in Assen met Martha Hazeveld, 18 jaar, geboren op maandag 14-08-1933 in Wildervank als dochter van nog onbekende ouders, verdere gegevens onbekend

Generaties
  1. Hendrik Jans (onb)
  2. J(oh)an Hendriks Bremer (1709)
  3. Arent Bremer/Hoogeveen (1746)
  4. Jan Arents Hoogeveen (1777)
  5. Pieter Jans Hoogeveen (1815)
  6. Jan Hoogeveen (1848)
  7. Jan Hoogeveen (1887)
  8. Albertus Hoogeveen (1932)

Opmerkingen
Op de website www.hooghalen.nu staat een interview met Bertus waarin hij vertelt over hoe hij als 13-jarige jongen de bevrijding meemaakte.
Aanvankelijk vond de familie Hoogeveen onderdak in een lokaaltje achter de kerk. Daarna kwamen zij in een dubbele barak te wonen, die als noodwoning diende. In de andere helft woonde de familie Meijering. Hun boerderij was ook door brand verwoest. In die barak hebben ze een paar jaar gewoond. Op de voorgrond de brokstukken van de boerderij van Meijering
Boek Bertus Hoogeveen

WWW stamboom-bremer-hoogeveen.nl
Contact
Akten Burgerlijke Stand
Prikbord
Links
Familiefoto's
Familiewapen
Generaties
Namenlijst  (Surnames)
Verspreiding
Koepelkerk
Bremer wordt Hoogeveen
Home
Boekje Hendrik Hoogeveen
Herinneringen van Bertus Hoogeveen

Bertus Hoogeveen woonde in een oude boerderij aan de Stationsstraat, die bij de bevrijding afbrandde. Bertus maakte als jonge jongen het vuurgevecht van nabij mee. Zijn verhaal:

“ ‘s Morgens was het al duidelijk dat er wat stond te gebeuren. In de verte was er kanongebulder en een verkenningsvliegtuigje cirkelde boven Hooghalen en Zwiggelte. Tegen een uur of twaalf kwam het geluid van het geschut steeds dichterbij. Het bosje bij het station werd onder vuur genomen. Daar hadden de Duitsers zich verschanst. Het fluiten van de projectielen maakte dat wij de schuilkelder indoken. Een paar dagen daarvoor hadden pa en mijn broer Jan er een extra uitgang bij gemaakt: je kon immers maar nooit weten!
Daar zaten we dus met z’n allen onder de grond. Maar toen de geluiden buiten heviger werden, kwam één van ons op het idee, dat onze schuilkelder wel erg veel leek op een van de verdedigingsputten die de Duitsers overal om ons heen gemaakt hadden en dat de Tommies, wij dachten toen nog dat de Engelsen kwamen, er wel eens een doelwit van zouden kunnen maken. Dus vluchtten wij de boerderij in en gingen in de kelder zitten. Daar zaten wij dan, op de hurken en met de rug tegen de muur. Ze schoten dwars door het huis, je hoorde hoe het servies in de kast kapot werd geschoten.

Vanaf mijn plaatsje kon ik door het kelderraampje nog juist een stukje van het dak van de bijschuur zien. Opeens zag ik dat branden als een fakkel. “De schuur staat in de band!” schreeuwde ik en toen was het natuurlijk paniek. Mijn broer Jan stoof als eerste de kelder uit en ik ging er meteen achteraan, door de kamer en het zijkamertje naar buiten. Toen we langs het kelderraampje renden, werd dat juist van binnenuit met een bijl ingeslagen en ik hoorde hoe mijn zus Gé heel hard riep: “Daar kunnen we nooit allemaal uitkomen.” Jan was de pompstraat opgerend, de deel over, de koestal op. Ik holde er acheraan; wist ik veel wat of ik het beste kon doen. Toen ik bij de deur van de koestal kwam, stond ik pal achter Jan. Hij maakte de koeien los, zette ze een voet voor hun kop en trapte ze als het ware naar buiten. De anderen hebben nog de paarden en de varkens naar buiten gejaagd. Maar varkens lopen altijd het vuur weer in, dus die hebben het niet overleefd.

Als jongen van dertien had ik andere dingen in mijn hoofd dan het vee en ik ging er dan ook weer vandoor. Eerst probeerde ik het via de achterdeur, maar daar begon juist een Duitser met een machinegeweer te ratelen en ik vond dat ik daar ook maar uit de buurt moest blijven. Dus ging ik weer terug over de deel en de pompstraat en toen langs de brandende bijschuur. Dat was ontzettend heet, maar ik wist ook niet waar ik anders naar toe moest. Ik ben toen over het prikkeldraad geklommen en tussen een dikke eik en een berg stro gaan liggen.
Van alle kanten brak nu de hel los. Het plaatsje dat ik uitgezocht had, leek mij opeens niet zo veilig meer toe, dus zette ik het weer op een lopen. Dwars door de wei, soms rennend, soms kruipend. Vreemd genoeg dacht ik dat ze bij de buren, Harm Huizing, in de kamer wel naar mij zouden zitten te kijken en mij zouden uitlachen, omdat ik daar op mijn buik door het gras kroop. Ik kwam dus weer overeind en rende dwars door de heg die als erfafscheiding diende naar Huizing.

“Bertus, kom hier”, riep Harm, want die zat natuurlijk in hun schuilkelder en zag mij voorbijrennen. Ik dook naar binnen. Harm, Niesje en de kinderen keken mij aan alsof ik niet goed bij mijn verstand was. “Wat doe je nu buiten, jongen,” vroegen ze. “Ons huis staat in de brand,”, riep ik.  Harm schudde zijn hoofd. “Die Jan Hoogeveen heeft ook niet veel geluk,” zei hij. “Eerst die bom in november 1944 en nu dit weer.”
Toen het ergste voorbij was, gluurden Harm en zijn zoon Geert voorzichtig naar buiten. Ze wilden niet graag, dat hun huis ook afbrandde. Welnu dat viel mee, maar je kon wel zien dat er in het dorp nog veel meer in brand stond. Een stuk of twaalf boerderijen zijn eraan gegaan. Het bleek, dat de anderen met wie ik in de kelder had gezeten, allemaal in een lege verdedigingsput gekropen waren. Ze moesten door die intense hitte immers bij het huis vandaan en waren het eerste gat dat ze zagen ingedoken; nu stonden ze op een rijtje in de wei te kijken waar ik toch gebleven was. Pa riep tegen Derk Stevens, een andere buurman, die als een halve gek stond te schreeuwen: “Hoera, hoera” of hij mij ook had gezien. Maar hij bleef gewoon doorschreeuwen. Harm Huizing zei dat ik zelf moest roepen om de aandacht te trekken en dat heb ik toen gedaan. Toen ik weer bij hen was, zei Gé: “ Zolang we in de schuilplaats hebben gelegen hebben wij ons angstig afgevraagd waar jij toch was gebleven. Pa huilde verschrikkelijk. Och, och, wat had die het er moeilijk mee. Hij dacht dat jij de bijschuur binnen was gegaan, omdat je daar misschien wat verstopt had. Dat het huis en alles wat we bezaten verloren ging, daar werd niet aan gedacht. Steeds maar weer was het: Waar zou die jongen toch zitten?” ’s Nachts heb ik met de mannen bij Harm Huizing in het stro geslapen. Moe en Gé lagen daar op bed.”

(Fragment uit: ‘Gemeente Beilen 1940-1945’ door G.J. Dijkstra e.a., uitgave Historische Vereniging Gemeente Beilen)